Scan_20160210Thuis gekomen ontdoe ik mij van mijn kleren, stinkend naar de spaghetti bolognese gesmeerd in mijn trui en broek. “Waar ligt het ijskompres voor mijn knieën?” Want deze zijn pijnlijk dik en blauw en kregen vandaag een aantal klappen op de grond te verduren.

Basisprogramma
Ik heb met Sander gewerkt vandaag. Een één-op-één cliënt waar ik nog niet zo lang mee werk. Sander en ik hebben nog geen vertrouwensband opgebouwd. Ik loods hem op methodische wijze de dag door. Sander is op zoek naar wie ik ben en wie de baas is. Dat laatste ben ik natuurlijk, maar dat weet hij nog niet. Dat moeten we nog samen ondervinden. Daar waar mijn collega’s met jarenlange ervaring vele stappen verder zijn is mijn programma ‘zeer basis’ ingericht.

Ik stel mijn doelen in op:
1. Samen de dag doorkomen.
2. Ik kies mijn strijd momenten.

Mijn bord eten is van mij
Ik kan de hele dag door overal om de strijd aangaan, maar die tijd is geweest in mijn leven. Ik straal dat dus al uit en laat me niet zo snel uit de tent lokken. Bovendien ga ik de hele dag strijd niet winnen. Ik kies mijn ‘strijdjes’ waarvan de kans zeer groot is dat ik ze win. Zo is een van mijn doelen de avondmaaltijd goed doorkomen en afsluiten. Zijn bord met eten is van hem, mijn bord met eten is van mij. Dat wil dus zeggen dat hij van mijn bord en mijn eten afblijft, ook al laat ik op het laatst nog wat over. Dit gaat echter niet zonder slag of stoot. Na het afsluiten van de maaltijd wil hij mijn restje spaghetti pakken en opeten. Een waarschuwing helpt niet. Ik gris zelf de spaghetti met mijn hand weg. Sander laat het er niet bij zitten en zet alles op alles om die spaghetti te pakken te krijgen. Hij wringt zijn vingers in mijn hand. Ik wil dit tegenhouden, maar spaghetti is een glad product. We bewegen ons in de ruimte. Ik duw hem naar de hoek van de kamer. De spaghetti vliegt letterlijk door de ruimte. Hij wil het van mijn trui aflikken. Het enige wat ik nu kan doen is hem op de grond leggen en hem daar fixeren. Ik druk mijn pieper in. Terwijl ik hem tegen de grond klem veeg ik met mijn hand de losse spaghetti bij zijn hoofd vandaan. Sander wil dit met zijn tong oplikken. Mijn collega ruimt op mijn verzoek de rommel op, zodat de spaghetti klaar is en niet een extra trigger wordt voor straks. Ik breng de situatie met Sander terug naar herstel in het contact en maak een doorstart in zijn programma.

Hoezo de baas?
Mijn thuisfront stelt mij vragen. Waarom ga je die strijd aan? Waarom zou je dat willen en laat je hem dat gewoon niet opeten? Hoezo ‘moet jij de baas zijn’?

Ik leg uit dat ik vanuit mijzelf liever niet ‘de baas’ ben, maar dat dit nodig is voor deze cliënt. Sander komt van ver, vanuit een verschraald bestaan. Een aantal jaren geleden is hij vanuit een crisissituatie bij ons terecht gekomen, geboeid aan armen en benen in een anti scheurpak. Door strijd te winnen geef ik aan dat er met mij niet te sollen valt. Linksom of rechtsom, ik win. Het baas willen zijn heeft te maken met zijn veiligheid, dat wat hij nodig heeft, want hij gaat grenzen voelen. Deze grenzen maken dat hij zich in zijn ruimte vrij kan bewegen, dat hij gewone kleding draagt, dat hij verschillende activiteiten en huishoudelijke klusjes kan doen en dat er buiten gewandeld kan worden. Hij moet dus weten dat ik de regie-houder ben, zodat hij op mij kan rekenen wanneer de spanning te hoog wordt, want dan kan hij ‘op mij bouwen’ en ben ik er voor hem.

“Is het ijskompres al gevonden? En hebben jullie al bedacht wat wij morgen eten?”
“Spaghetti Bolognese”
“Oh, ècht?!”
“Geintje”

Share This