IMG_4691Ze is een complexe jonge vrouw van 22 jaar met een matig verstandelijk beperking en heeft een hechtingsstoornis. Ze vertoont agressief gedrag naar zichzelf en mensen in haar directe omgeving. Ze woont sinds haar 18e in een 24 uursvoorziening in een woonwijk.

Pleeggezin
Door zware verwaarlozing was zij destijds als jong kind uit huis geplaatst en opgenomen in een pleeggezin. Dit pleeggezin is haar thuis, met name haar pleegmoeder, dat is haar belangrijkste houvast in haar leven, haar baken. Niet dat alles daar vlekkeloos verloopt. Het gezin heeft heel wat te verduren door de spanningen vanuit het onvermogen van deze cliënt, hun dochter. Wat in dit gezin heerst is liefde, onvoorwaardelijke liefde, met name vanuit moeder. Ondanks de machteloosheid die ook gevoeld is, met name de puberteit is als zeer heftig ervaren. Het is niet vanzelfsprekend dat mensen dit vol kunnen houden, van hun (pleeg)kind kunnen blijven houden en kunnen blijven geven, onvoorwaardelijk geven. Ook al woont zij in een 24uursvoorziening, dit is haar familie. Om de week gaat ze een heel weekend naar haar ouders toe, gaan zij leuke dingen ondernemen. Elke week wordt er gebeld met moeder. Voor extra activiteiten wordt zij opgehaald en ze gaan samen met vakantie.

Noodlot
Dan slaat het noodlot toe. Moeder blijkt kanker te hebben. Eerst is er nog de hoop op genezing. Na maanden vol lichamelijke tegenslagen wordt duidelijk dat moeder het niet gaat winnen van deze vreselijke ziekte. Ieder mens heeft zijn eigen weg te gaan, ieder mens heeft zijn eigen deel en eigen pijn. Voor deze cliënt zijn er maanden vol onzekerheid, maanden waarin de dingen die al jaren gaan zoals ze gaan, nu ineens anders geworden. Wat moet ze daar toch mee aanvangen? Eerst is ook zij in de veronderstelling dat moeder beter wordt. Tot alle grond – die al wankel voor haar is- onder haar voeten verdwijnt. In samenspraak met de familie wordt haar verteld dat haar moeder komt te overlijden in duidelijke (cliënten)taal: “De dokter kan mama niet meer beter maken, hij heeft er alles aan gedaan, maar je moeder gaat dood.” “Het probleem met doodgaan is, dat je nooit precies weet wanneer dit gebeurt. Het kan nog heel lang duren, wel tot na kerst of na volgend jaar, dat weet de dokter niet”.

Volle emmer
In dit proces volgen dagen en weken waarin haar spreekwoordelijke emmertje sneller dan normaal kan vollopen. We passen haar programma aan en reduceren prikkels. Regelmatig wordt er stil gestaan bij haar verdriet en haar vragen. Soms is praten te ingewikkeld voor deze doelgroep en vandaag zet ik weer eens iets in met expressie. Ik zeg haar: “Zet maar op je programma dat we straks gaan knutselen”. Het antwoord is de twinkeling in haar ogen. Ze zegt dat ze er zin in heeft. We gaan in de woonkamer zitten. Ik heb voorbereidingen getroffen. Ik zeg haar dat we troostvogels gaan knutselen en vraag: “Weet je wat troosten is?” Nee dat weet ze niet, of toch, ineens weet ze het, “dat is als je verdriet hebt!” Ik beaam dit, “Dat klopt helemaal! Troosten doe je als iemand verdriet heeft. Jij bent verdrietig om mama. Dan kunnen we daarover praten, dat lucht op, maar soms kun je ook iets anders doen dan praten. Dan kun je ook iets gaan doen. Nu heb ik bedacht om troostvogels te knutselen, zodat zij jou troost kunnen geven.” Door haar gezichtsuitdrukking merk ik dat dit een schot in de roos is. Het is een uitdrukking, alsof zij zich gehoord voelt. Ik vertel haar dat ik er ook een liedje bij heb, dat we die eerst gaan luisteren en dat ik haar dan stap-voor-stap vertel hoe je troostvogels maakt.

Sfeer
Ik zet het lied ‘De troostvogel’ van Herman van Veen op. De hele tekst is wat veel om te begrijpen, maar dat is ook niet mijn intentie. Het gaat om de sfeer die ik voor haar creëer, de sfeer die ook in het lied zit. En ik haal er een tekstregel voor haar uit die ze wel begrijpt. “Heb je dat gehoord, de troostvogel vliegt weg met jouw verdriet”. Ze glimlacht. Ik vertel hoe we te werk gaan. Eerst schilder je met de waterverf grote stippen met meerdere kleuren. Dat wordt het hoofd. We gaan beiden aan de slag. En het liedje staat nog een paar keer op. Intussen komt een huisgenoot voorbij – die net als alle andere huisgenoten ook deelgenoot is van de situatie met haar moeder. Hij komt nieuwsgierig kijken wat we aan het doen zijn. Ik herhaal het verhaal, waardoor het voor de cliënte nog een keer herhaald wordt, maar haar huisgenoot ook mee kan doen. Hij weet namelijk ook wat verdriet is en heeft al eerder deze week met haar gedeeld dat hij verdrietig was om zijn overleden opa. Dus als ik zeg dat de troostvogel wegvliegt met je verdriet zegt hij: “Ojaaaa, dat is mooi” en vervolgens gaat hij weer verder met zijn eigen programma.IMG_4694 Ze zegt dat ze dit schilderwerk wel voor haar moeder wil maken. Ik zeg dat ik dat een goed idee vind. “Zullen we er een kaart van maken en deze met de tekst van het lied naar mama opsturen?” Dat vindt ze een goed idee. “Dan ben jij getroost, maar zo troost jij ook weer je moeder”.

Ik laat zien hoe ze vervolgens met een stift de kop tekent, ogen, vleugel, staart en snavel en natuurlijk de poten. Stilzwijgend met een rustig piano muziekje van Einaudi zitten we naast elkaar. Ze onderbreekt dit door de mantra te herhalen: “Het komt allemaal goed he, Gwen?” “Zo is het, hoe moeilijk het soms ook is, het komt allemaal goed!”

 

Share This